“Niet naar elkaar wijzen, maar samen die achterstand aanpakken”

08 06 10 | Renata Voss, als bestuurder van het Albeda College verantwoordelijk voor het onderwijs, is binnen het ROB lid van de stuurgroep en voorzitter van de tijdelijke commissie taal en rekenen. Haar grootste prioriteiten: een soepele overgang van de ene schoolsoort naar de andere, en een doorlopend curriculum voor rekenen en taal.

Albeda trekt binnen het ROB op met collega-roc Zadkine. “Net zoals de verschillende onderwijssoorten meer samen moeten gaan optrekken. Zo kunnen we elkaar versterken en van elkaar leren.” Renata Voss heeft daar hoge verwachtingen van. “Sommige dingen zijn bewezen effectief in de ene onderwijssoort, maar helemaal niet bekend bij de andere. Zo hoorde ik binnen de stuurgroep voor het eerst over het onderzoek dat de Erasmus Universiteit met partners gaat doen naar succesvolle school- en studieloopbanen in de vier grote steden. Daar zitten vast onderzoeksvragen in die ook voor ons interessant zijn. Een van de belangrijkste aandachtpunten wordt, wat Voss betreft, de overgang van de ene schoolsoort naar de andere. “We gaan in ROB2 voor de doorlopende leerlijnen. Die overgangen mogen geen breuklijnen zijn. Schooltypen weten nog te weinig van elkaar. Het vmbo en het mbo hebben hun eigen werkwijze en cultuur. Er is veel winst te boeken op die gebieden, en die winst moet structureel worden.” Voss: “Ik hoor dat het onderwijskundig rapport dat met een kind meekomt van de basisschool, op het vo vaak pas wordt ingekeken wanneer er een probleem is ontdekt. Datzelfde speelt bij de overgang van vmbo naar mbo. De doorstroomformulieren die zijn ontwikkeld brengen verbetering, maar ook in het mbo is het de vraag of docenten die formulieren vroegtijdig inzien, zodat ze snel actie kunnen ondernemen.”

Sommen uitleggen

De werkgroep Taal en Rekenen krijgt met datzelfde thema te maken. “Als opeenvolgende onderwijssoorten ben je erg afhankelijk van elkaar. Kinderen met een achterstand in het basisonderwijs komen daar niet van af, als in het voortgezet onderwijs niet bekend is dat die achterstand er is. We willen in het kader van ROB-2 afspreken dat van iedere leerling het instroomniveau bekend is.” De drempel kan verder worden geslecht door vergelijkbare lesmethoden kiezen, bij het rekenen begrippen dezelfde naam te geven en sommen op dezelfde manier uit te leggen.
Elke schoolsoort heeft een eigen opdracht op taal- en rekengebied. Toch is het heel zinvol om bij elkaar in de keuken te kijken en valt er veel van elkaar te leren, vindt Voss. “Zo is ook het VM2-traject ontstaan, waarbij leerlingen drempelloos doorstromen van vmbo naar mbo.”
Momenteel toetsen alle schooltypes het kennisniveau op het gebied van taal en rekenen, in verband met de nieuwe referentieniveaus waar leerlingen op bepaalde momenten in hun schoolcarrière aan moeten voldoen. Landelijk signaleert elk schooltype een grote taal- en rekenachterstand. Voss citeert uit de Monitor Taal en Rekenen 2009 van het Cito: “In het basisonderwijs haalt een kwart van de leerlingen het gewenste taal- en rekenniveau niet; in het basisberoepsniveau van het vmbo haalt maar een kwart van de leerlingen het beoogde eindniveau voor Nederlands; voor rekenen is dat zelfs maar 13%.” Uit de monitor blijkt verder dat minder dan de helft van de mbo-deelnemers op het gewenste eindniveau voor rekenen zit en op het punt van taalverzorging haalt maar 30% het gewenste niveau (2F voor mbo 2). In Rotterdam haalt 80% van de mbo-ers op niveau 1 niet het gewenste niveau 2F voor rekenen; bij taal is dat 65%.

Talige vaklessen

De bestuurder: “Dit is de komende periode zó van belang. We moeten dit samen oppakken en niet naar elkaar wijzen, maar van voorschool tot en met universiteit maximaal ons best doen om leerlingen op een hoger niveau te krijgen.” Om dat waar te maken, zegt zij, heeft Albeda voldoende vakkrachten nodig, en moet de lestijd voor taal en rekenen worden uitgebreid. “Wij scholen onze vakdocenten ook bij, zodat zij hun vaklessen kunnen doorspekken met taal.” Albeda is verder bezig met een aparte leerlijn voor taal en rekenen, gericht op de aparte examinering die over vier jaar wordt ingevoerd; en de opzet van remediërende ondersteuning door vakkrachten. Renata Voss: “Ik heb goede hoop dat we als Rotterdamse opleidingen meer het gevoel zullen krijgen dat we een gezamenlijke opdracht hebben; dat we elkaars problematiek leren kennen en zaken niet als het probleem van een ander beschouwen.” Zij hoopt dat er over vier jaar, als de tweede periode van het ROB afloopt, een doorlopend curriculum is voor rekenen en taal. “Dat is ingewikkeld, maar als het lukt hebben leerlingen veel minder last van de overgang naar verschillende schooltypes.”


« terug naar het overzicht